Martinus werd in 316 of 317 geboren in Pannonia (nu Hongarije), in de stad Sab(a)ria, die tegenwoordig Szombathely (Hongaars) of Steinamanger (Duits) heet. Hij was de zoon van een Romeins soldaat.
Martinus groeide op in het Italiaanse Pavia. Als jongen van 10 jaar liet hij zich in de kerk opnemen als catechumeen (doopleerling). Catechumenen hadden een speciale plaats in het kerkgebouw; zij mochten deelnemen aan de woorddienst (de missa catechumenorum), echter niet aan de eucharistische viering als zodanig (de missa fidelium).
Op 15 jarige leeftijd trad hij in het leger en diende onder keizer Constantius en keizer Julianus. Als soldaat in het Romeinse legioen kwam hij naar Gallië, het huidige Frankrijk.
Bij de stadspoorten van Amiens ontmoette hij eens een naakte bedelaar, die hem om Christus’ wil een aalmoes vroeg. Martinus had geen geld, maar pakte zijn zwaard, sneed zijn mantel doormidden en gaf de helft aan de bedelaar. In die tijd behoorde een helft van de kleding aan de keizer en de andere helft was persoonlijk bezit.
In een droom verscheen later Christus hem met de helft van zijn mantel om zich heen geslagen: “Wat je voor de geringste van mijn broeders hebt gedaan, dat heb je aan Mij gedaan”. Dit gaf voor hem de doorslag om Christen te worden en zich te laten dopen.
Op 18 jarige leeftijd werd Martinus gedoopt door de heilige Hilarius van Poitiers. Al snel nam hij ontslag uit het leger. Maar toen hij zijn ouders in Lombardije wilde opzoeken, ontstonden er problemen tussen hem en de Arianen, ketters die daar veel aanhang hadden. Martinus hield vast aan zijn geloof en werd slecht behandeld op last van de Ariaanse bisschop van Milaan. Hij hield zich daarna schuil als kluizenaar op het eiland Gallinaria (nu Isola d’Albenga) voor de Italiaanse Rivièra, omdat ook de H. Hilarius op aandrang van de Arianen verbannen was uit Frankrijk.
In 361 kon hij terugkeren naar Frankrijk en voegde zich bij de H. Hilarius. Ook daar werd hij een kluizenaar, wonend in een afgelegen gebied, en hij wijdde zijn hele leven aan God. Dit voorbeeld werd gevolgd door vele monniken, later ontstond hier het Benediktijnerklooster van Ligugé.
Toen St. Lidorius de bisschop van Tours, een stad in West-Frankrijk, in 371 of 372 overleed, vroegen de Christenen en priester van die stad aan Martinus of hij bisschop wilde worden. Deze wilde eigenlijk gewoon kluizenaar blijven, maar via een list werd hij naar de stad gelokt, en toen hij eenmaal in Tours was aangekomen kon hij niet meer afzien van het bisschopsambt. Als bisschop bleef hij zijn monnikenleven voortzetten en trad op als een grote geloofsverkondiger. Hij stichtte ook veel kloosters, waarvan dat van Marmoutier het belangrijkste was (Marmoutier, afkomstig van Maius Monasterium, betekent zeer groot klooster). Hij vernietigde de heidense heiligdommen en preekte onophoudelijk tegen de ketterijen van die dagen. Hij werd al tijdens zijn leven als heilig beschouwd en veel wonderen werden aan hem toegeschreven. Tijdens een missiereis sterft hij op 8 november 397, 81 jaar oud, in Candes. In triomf werd zijn lijk naar Tours overgebracht en op 11 november bijgezet, zijn latere feestdag. Ook rond zijn graf gebeurden vele wonderen en een eeuw later roept koning Clovis hem uit tot patroonheilige van het Frankische volk.
Op zijn feestdag gaan de kinderen nog steeds gewapend met lampionnen al zingend langs de deuren om snoep op te halen. Vroeger werd er gezongen voor de deuren van welgestelde burgers om brandstof voor de winter te vergaren.
Omdat St. Martinus de patroonheilige van onze kerk is maar ook van ons kerkkoor, het St. Martinuskoor, vieren we in onze parochie de dichtstbijzijnde zondag vóór of ná 11 november als een hoogfeest (sollemnitas).